De logistiek van een nieuwe handicap

Op 2  mei kreg ik moeite met lopen. Ineens maakte ik vreemd kleine stapjes en begon ik te wankelen als ik simpelweg stond. En ik was plots zo bekaf dat ik halve dagen op bed lag.

Dat bleek het begin te zijn van een nieuwe ms-aanval, de eerste serieuze sinds 1992. Ik heb sindsdien wel allerlei ms-gedoe gehad, maar dat was van het kaliber ‘algehele malaise’: er was nooit sprake van uitval. Maar nu wel. Ik stond al te wankelen wanneer ik mijn tanden poetste.

Nadat ik zowat omviel toen ik bij iemand aanbelde, onderwijl leunend op mijn kruk en met mijn andere hand aan de deurpost, belde ik met de ms-poli van het Amsterdam UMC. Dit was foute boel.

Ik kon er al de volgende dag terecht. Binnen vier uur was alles geregeld, gode zij gedankt en geprezen. Ik was gezien door een neuroloog, mijn toestand was beoordeeld, ik kreeg een kuur voorgeschreven, en kon die meteen ophalen bij de ziekenhuisapotheek. Ik huilde zowaar van opluchting.

***

Nadien werd het alleen maar erger. Mijn armen werden zwaar, mijn hoofd werd ijl. Die kuur zal ongetwijfeld hebben geholpen en erger hebben voorkomen, maar ineens ben ik flink gehandicapt, en zijn alle routines waarmee ik mijn eerdere makke opving, futiel geworden.

Inmiddels zijn mijn hoofd en armen bijgetrokken, dat dan weer wel.

Maar ik krijg mijn benen simpelweg niet van de grond. Het voelt alsof ik permanent een extreem strakke kokerrok draag die elke beweging van mijn benen beperkt. Ik maak stapjes van maximaal 30 centimeter en wankel daarbij. Wanneer ik stil sta, doen mijn benen spastisch en dreig ik om te vallen. Wanneer ik overeind wil komen, moet ik mezelf optakelen en aan van alles vasthouden om rechtop te komen.

Buitenhuis kan ik niet zonder rollator, binnenshuis gaat het net-aan.

Ik heb inmiddels een leenrolstoel. Dat ding is minstens vier maten te groot (ik ben best wel dun) maar ik heb besloten me daar pas zorgen over te maken wanneer deze situatie drie maanden duurt. Nog zes weken te gaan: dan besluit ik of ik een eigen rolstoel nodig heb, eentje op mijn maat.

***

Pas na een week of drie meldde ik me formeel ziek. Het probleem bij ms is dat je vaak niet weet of je last hebt van ms of van een griepje, of van heel iets anders. Maar nadat ook de ms-poli zei dat het mis was, gaf ik toe: dit was de ms.

Mijn collega’s bij Follow the Money – waar ik nu al vijf jaar chef eindredactie ben – waren meer dan fideel. Iedereen ving alles zonder morren op, er kwam werkelijk elke dag iemand op bezoek, ze regelden dingen met steutels en boodschappen doen of me gewoon gezelschap houden, en deden zelfs mijn afwas (❤️ Robbert) en reden me naar het ziekenhuis (❤️ Mirna).

***

Inmiddels duurt deze aanval al dik zeven weken. Mijn hoofd is godlof weer helderder en mijn armen voelen minder zwaar, maar die benen – daar zit echt nog geen schot in. Om eerlijk te zijn: ik loop nu aanzienlijk slechter dan toen ik de ms-poli om een kuur smeekte.

En het voelt niet alsof daar snel verbetering in zal komen.

Dat betekent dat ik idioot veel moet herzien. Vroeger – en echt: dat was recent, ik heb laatst zelfs mijn hele slaapkamer opnieuw gewit, al deed ik daar weken over – liep ik de trap op naar mijn werk, maar dat kan ik nu niet meer. Nu moet ik daar de lift nemen. ‘Vroeger’ liep ik voor mijn boodschappen naar de supermarkt 300 meter verderop, maar ook dat kan ik niet meer.

Er zijn zoveel nieuwe logistieke vragen. Moet ik nu met de Canta naar de supermarkt? Ja, eigenlijk wel. Maar in die supermarkt zelf heb ik ook steun nodig, daar heb ik die rollator nodig. Kan ik die meenemen in de Canta? Ben ik  sterk genoeg om dat ding in mijn Canta te tillen? En als ik ’m in de achterbak van mijn Canta zet, waar laat ik mijn boodschappen dan?

Anders gezegd: over zowat alles moet ik ineens keihard nadenken, en voor zowat alles wat eerder vanzelfsprekend was geworden, moet ik nu neuwe oplossingen verzinnen.

Dat is nogal vermoeiend – en vooral: buitengewoon confronterend. Want ineens realiseer ik me weer dat gehandicapt(er) zijn tijd vreet.

Dietmar: ‘Zo snel ben ik niet slap’

Van onze verslaggever – Amsterdam, 12 april 2023

Onlangs bood ene mevrouw KS te A. per advertentie belangstellenden ‘nachten’ met een man in haar appartement aan. De vermeende gigolo, die bij haar op kamers woont, zou sessies van zes uur voor de genodigden in petto hebben. ‘Gasten’ werd gevraagd met drank te betalen. De madam gaf zelfs haar adres op in de annonce.

Via via ontving deze krant bericht van Dietmar zelf. Verontwaardigd dat zijn seksuele leven werd uitgevent is hij niet, dat zijn hij en zijn familie gewoon. ‘Dat hoort er een beetje bij als je zo viriel bent als wij.’

Hij maakt wel bezwaar tegen de wijze waarop hij werd afgeschilderd: weliswaar als een man van adel, maar vooral als een van zeer korte adem. Na zes uur zou het, zoals de madam het typeerde, ‘zijn gedaan met de pret’. Terwijl Dietmar, net als zijn tak van de familie Epiphyllum, bekend staat om zijn uithoudingsvermogen.

Zondag iets voor zes uur ’s avonds ging Dietmars eerste bloem open. Dietmar, trots: ‘De bloeit nu nog steeds. Dat is dus al 54 uur, liefst negen keer zo lang als mijn hospita het deed voorkomen. En ik vertoon nog geen spoor van slapheid.’

Inmiddels houdt Dietmar liefst vier bloemen simultaan in stand, en er wachten er nog achttien.

Mevrouw KS was niet bereikbaar voor commentaar.

De eerste bloem opende op Paaszondag, tegen 18:00. De bloem is plm 11cm in doorsnee en heeft een citrus-achtige geur.
‘s Miiddags op Paasmaandag opende de tweede bloem, pal achter de eerste.
Dit is de derde!
Inmiddels bloeien er vier. De eerste bloem is nog steeds in full swing.

Nachten met Dietmar Paetz [1]

Kijk – ik hou dus van planten. En Dietmar Paetz is een bijzondere. Hij arriveerde dik twee maanden geleden, in de vorm van een handvol stekken, gekocht op Marktplaats. Dietmar behoort tot de cactusfamilie Queen of the Night (Epiphyllum, voor de liefhebber). Die bloeien zes uur, alleen ’s nachts, en dan is het gedaan met de pret. Moet je weer een jaar wachten.

Zo bloeit Dietmar
Zo bloeit Dietmar

Dietmar had twee weken nadat ik ’m had opgepot ineens knoppen. Veel zelfs: dik twintig. Een deel ervan is inmiddels al flink roze. Geen idee wanneer Dietmar zijn kunstje gaat doen, maar het is waarschijnlijk een paar nachten achter elkaar feest: niet alle knoppen zijn even ver.

Zover is ‘mijn’ Dietmar nu
Zover is ‘mijn’ Dietmar nu

Statement over Arjen Kamphuis

Arjen kende ik  goed: ruim anderhalf jaar – zo van 2005 tot 2007 – kwam-ie zowat eens per week bij me langs en dan aten we iets, spraken veel en keken films. Maar ergens onderweg werd-ie wappie avant la lettre: helemaal in de 9/11-complotten. Het ergerlijke was: hij hield er maar niet over op.

Dat zorgde er uiteindelijk voor dat ik het contact met hem ging mijden: het ging alleen nog maar over complotten, en hij duldde steeds minder tegenspraak en kritische vragen. Zijn focus vernauwde compleet.

Wat betreft die trip naar Noorwegen: Arjen nam vaker ongelooflijke risico’s. Hij vertelde me in geuren en kleuren (hij was er kennelijk trots op) dat-ie ooit in zijn eentje aan het bergbeklimmen was – dat is echt een no go – in de Pyreneëen, en toen werd overvallen door slecht weer. Hij is uiteindelijk gered, godbetere per helikopter, maar dat lag niet aan hem. Dat-ie met een flut-kayak in een Noors fjord verongelukt is, verbaasde me daarom geen seconde.

Rop Gonggrijp is kort na Arjens vermissing afgereisd naar Noorwegen en heeft daar twee dagen zijn godvergeten best gedaan en autoriteiten wakker geschud. Maar ook hij zag geen aanleiding te denken dat er vuil spel aan de orde was.

Edit, 3 juli:: Rop heeft inderdaad zijn best gedaan, maar kon (uiteraard) ook niet idioot veel doen. Mijn opmerking dat hij ‘geen aanleiding’ zag om te denken aan vuil spel, is te kort door de bocht: Rop heeft nadrukkelijk geen conclusies getrokken.

En niet om Arjen af te zeiken, maar zo geweldig was-ie echt niet. Brenno de Winter – om maar niet te spreken over Rop zelf – heeft duizendmaal meer uitgevogeld en meer dingen gedaan om autoriteiten te dwarsbomen dan Arjen. Arjen was vooral heel goed als lobbyist voor ‘onze kant’, en kon heel goed een synthese maken van wat anderen hadden uitgezocht. Dat deed hij knap, en daar verdiende hij zijn geld mee.

That’s all.

Afscheid van de vooruitgang

Aanhangers van de Verlichting en de vooruitgang – wat linkse mensen en partijen in zekere zin altijd zijn, al weten ze dat die weg hobbelig is en diepe dalen kent – geloven dat de wereld beter kan worden en zich kan ontwikkelen, door verandering. Ze doen dat met name door mensenrechten te erkennen, vooral die van degenen die systematisch worden achtergesteld.

Rechts, en vooral extreemrechts, wil niet zozeer dingen behouden, als wel terug naar oudere verhoudingen en een deel van de moderniteit afschaffen. Het dondert ze niet of dat nu meer feodaal of meer marktgedreven is: ze pleiten er in essentie altijd voor om (groepen) mensen van het democratische proces uit te sluiten, en willen hen hun rechten afnemen.

Het bovenstaande is een simplificatie, dat geef ik grif toe, maar helaas: het is een vrij perfect scheermes van Ockham.

Kijk naar extreemrechts: dat wil de rechten van vrouwen inperken, is tegen abortus, tegen de openstelling van het huwelijk, en van transgenders of mensen van kleur moeten ze niets hebben. Kijk naar de huidige Republikeinse partij: die is al jaren bezig zwarte mensen hun stemrecht te ontnemen, vrouwen hun recht op abortus, arme mensen hun recht op bijstand en zorg, en wil onderwijs over de geschiedenis van racisme of van homofobie verbieden. Kijk naar Forum voor Democratie: dat hekelt de vrije pers, wil wie anders denkt voor ‘tribunalen’ brengen, doet zijn best linkse mensen uit onderwijs, onderzoek en bestuur te weren, en verheerlijkt de ‘boreale cultuur’ – die van toen er hier nog geen zwarte mensen woonden en mannen nog ‘man’ waren.

Allemaal haten ze de vrije pers. Allemaal flirten ze met religie dat het een aard heeft. Forum voor Democratie met streng gereformeerden en ouderwetse katholieken, Poetin met de Russisch orthodoxe kerk, de Republikeinen met strengchristelijke groepen – diezelfde gelovigen die hun homohaat naar landen in Afrika hebben geëxporteerd, bij wijze van moderne kerstening.

In april 2013 stonden we bij het Amsterdamse Scheepvaartmuseum te demonstreren. Daar werd Poetin die dag door de Nederlandse regering onthaald, terwijl hij in eigen land de vrije pers de mond snoerde en strenge wetten tegen ‘propaganda’ voor homoseksualiteit invoerde. De pers, vrouwen, homoseksuelen, zwarte mensen – leer luisteren naar de kanariepietjes van de vrijheid. Want onze rechten sneuvelen altijd als eerste.

Nu roepen we om het hardst dat we van Russisch gas en olie af moeten. Voor je het weet storten we ons daarmee in de armen van de theocratische dictators in het Midden-Oosten. We moeten van fossiele brandstof af, dat is de betere oplossing (en waarom kernenergie een doodgriezelige oplossing is, bewijst Poetin ons nu).

Dit is mijn laatste stukje hier in de krant. Mag ik u nog eenmaal advies geven? Ga stemmen, altijd – ook als je niet precies weet op wie: want je kunt altijd op een partij stemmen die niet racistisch, homofoob, seksistisch of fascistisch is, en die de rechtstaat hoog heeft.

We leren nu in rap tempo waarom het nodig is fascisten en despoten klein te houden.

Weg bij Het Parool

Na bijna 30 jaar (en tegen de duizend columns) heb ik besloten te stoppen als columnist bij Het Parool. Op eigen initiatief hoor, de krant had me nog willen houden, maar ik dacht steeds vaker: ja maar hallo, daar heb ik al eerder over geschreven, nee niet weer…. Ik was bang in herhaling te vervallen. Of erger: om cynisch te worden.

Daarnaast vond ik dat het hoog tijd was voor andere stemmen op die plek, met andere achtergronden. Eigenlijk vind ik dat niemand zo’n plek zo lang bezet moet houden. Het zou goed zijn als meer mensen ‘hun’ vermeend vaste plek afstaan. Nee, ik heb geen idee wie me vanaf 15 maart zal opvolgen: ik ben zeer benieuwd.

Een paar dagen voor mijn laatste column, die op 8 maart zal verschijnen, publiceerde Het Parool een prachtig interview met me in het weekendmagazine, geschreven door Marcel Wiegman. Hij vond een geweldige toon: het werd een geestig en laconiek gesprek, hopelijk met veel ideeën en weinig borstklopperij. Marjolein van Damme maakte schitterende foto’s: een daarvan belandde zelfs op het omslag van PS van de Week. (Best raar om jezelf daar ineens te zien staan.)

Op Twitter staat een draadje waarin het hele interview is te lezen. Mijn laatste column verschijnt morgen, en staat dan ook hier op mijn eigen site.

Het ga u goed. Ik wijd me voortaan volledig aan mijn baan als chef eindredactie bij Follow the Money.

Politieke paria

In een week tijd is de wereld verschoven. Een grootmacht viel een buurland binnen, er woedt oorlog in Europa. Gelukkig krijgt Oekraïne van alle kanten steun – zowel van burgers elders, van andere landen als van supranationale organisaties. Je mag hopen dat dat genoeg is, en intussen innig hopen dat Poetin niet helemaal doordraait.

Deze oorlog zal hoe dan ook het wereldtoneel veranderen. Nu de EU, Canada, Japan, het VK en de VS een groot deel van de Russische banken van Swift uitsluiten, en daarmee hun internationale betalingsverkeer blokkeren, heeft China het plan opgevat om een ‘eigen’ Swift te ontwikkelen. Vrijdag dacht ik nog dat Rusland zo in de armen van China gedreven zou worden, maar zelfs China lijkt nu afstand te nemen van Rusland, terwijl Xi Jinping zijn collega-dictator bij de Winterspelen nog op een warm tête-à-tête trakteerde.

Terwijl Poetin de nieuwe politieke paria is van de wereld geworden, sluit de EU de rijen. Niet eerder was de Europese Unie zo snel en eendrachtig over straffe sancties. Zelfs Polen, dat al jaren met uittreding uit de EU flirt en recent – samen met Hongarije – nog vond dat de Europese Commissie en het Europees Hof hun rug op konden, trekt de banden met de EU aan. Bondgenootschappen tussen landen worden razendsnel geherwaardeerd.

Intussen laat Zelensky, de Oekraïense president, zien wat staatmanschap en moed behelzen, blijkt hij strategisch buitengewoon slim, en inspireert hij de burgers van zijn land om weerstand te bieden tegen de invasie. (Die man verdient het dit jaar de Nobelprijs voor de Vrede te krijgen.)

Maar terwijl de solidariteit met Oekraïne hartverwarmend is, vallen er ook dingen op. Waarom prijzen we hun verzetsdaden hier de hemel in, en tonen nieuwsprogramma’s in uitgebreide items bijna juichend hoe de bevolking molotovcocktails maakt en kalasjnikovs uitgedeeld krijgt, terwijl we het ‘normaal’ vinden dat elke Palestijnse jongeman die een steen naar een Israëlische soldaat gooit, gevangen wordt gezet – of zelfs doodgeschoten? Waarderen we burgerverzet tegen een vreemde mogendheid alleen wanneer de bezetter nog maar pas is geland?

Waarom worden de vluchtelingen uit Oekraïne zo gastvrij onthaald, terwijl we slachtoffers van andere oorlogen (en burgeroorlogen) wantrouwen, zeker wanneer ze een kleurtje hebben of een ander geloof dan het christelijke? In onze – terechte – sympathie voor de Oekraïense bevolking klinkt iets akeligs door: het hemd is nader dan de rok. Wie op ‘ons’ lijkt en wie Europees is, heeft een streepje voor op andere vluchtelingen. Dat schijnt helaas ook te gelden voor zwarte Oekraïense vluchtelingen: die komen Polen aanzienlijk minder makkelijk in, lijkt het, afgaande op verhalen ter plaatse.

Er zit een flinke scheut vooroordeel in onze huidige solidariteit, vrees ik. Laat Poetin vooral een paria blijven, maar nu de wereld zo schuift, kan ook onze solidariteit wel een opknapbeurt gebruiken.

Snoepjes, laat op de avond

Naar bed heet de serie. Ik ontdekte hem pas deze week, terwijl het verdorie al ’t tweede seizoen is dat de VPRO hem uitzendt. Het concept is doodsimpel: stellen stappen in bed, kijken de camera aan als ze eenmaal onder de lakens liggen en vertellen over hun relatie en de geschiedenis daarvan. Door de opstelling lijkt het alsof ze rechtstreeks tegen het publiek praten. En die setting – hun slaapkamer – zorgt meteen voor een grote mate van intimiteit.

Ze vertellen hoe ze elkaar hebben leren kennen, ze verhalen over hun gekibbel, over hun seksleven, over hun verwachtingen, hun hoop, hun teleurstellingen, hun ambities. Over hun angsten, hun zorgen, hun opluchting. Over hun liefde voor elkaar, en over hun onderlinge verschillen.

Natuurlijk is het geregisseerd – er is in de opnames gesneden, dat zie je soms ook, en de stellen zijn waarschijnlijk zorgvuldig uitgekozen. Maar wat we te zien krijgen is een prachtige parade van zeldzaam openhartige gesprekken, waarin lastige vragen en soms zelfs een confrontatie niet worden gemeden.

Het is frappant hoeveel je onderwijl aan het lichaam van al die mensen kunt aflezen. Het paar dat in een conflict verzeild is geraakt, laat hun onmetelijke afstand onwillekeurig keihard zien: ze kijken elkaar al die tijd dat ze in beeld zijn nooit recht in de ogen, en de een ligt met een afgewende schouder naast de ander. Een tweede stel bespreekt onderwijl een meningsverschil terwijl ze elkaar liefdevol blijven aankijken, en soms naar elkaars hand grijpen: ze bevestigen fysiek hun band terwijl ze over hun conflict praten. Een derde stel kibbelt zich een slag in de rondte, maar verzucht daarna dat ze ‘versmolten’ zijn, en je gelooft dat dan subiet.

Het allermooiste: we zien een baaierd van verschil. Oude stellen, jonge stellen. Homokoppels, lesbische koppels, heterokoppels. Mensen met een monogame – of serieel monogame – relatie, en mensen die daar niet aan hechten. Mensen die al jarenlang gedrieën een liefdesrelatie hebben. Mensen met totaal verschillende achtergronden, soms ook binnen hun relatie. Jonge mensen die bij de ouders van de een inwonen. Stellen met een groot leeftijdsverschil. Mensen wier liefdesrelatie is veranderd omdat een van hen intussen gehandicapt is geraakt, en de ander zich vooral mantelzorger is gaan voelen.

Het is zeer intiem en hoogst persoonlijk – maar juist daardoor radicaal. Zelden zie je mensen die zo kalm, zo open, zo bereid en zo ontvankelijk voor elkaar hun verschillen en hun intieme gedachten publiekelijk durven bloot te leggen. Sommigen doen dat giechelend, sommigen aarzelend, anderen trots – maar allemaal doen ze het op een manier die maakt dat je ontroerd naar ze kijkt.

Deze serie verdient alle prijzen die je maar kunt bedenken, en zou liefst op prime time moeten worden uitgezonden. Vrijwel elk gesprek is goud waard, en allemaal leren ze ons meer over relaties, de liefde, verbondenheid en verschil dan de gemiddelde talkshow.

Zie de mannen vallen

Voor het eerst lijkt er oprecht werk gemaakt te worden van seksuele intimidaties, mishandeling, aanranding en verkrachting. Wat we daardoor zien, is niet mooi. Maar ook: wat we nu zien, is de realiteit van veel vrouwen, een werkelijkheid die jarenlang onder de radar van opiniemakers, leidinggevenden en beslissers is gebleven, en dus: buiten beeld.

Het is soms wanstaltig – en daardoor: akelig leerzaam – wat we nu zien. Neem de woordvoerder van Ajax, die meldt dat de vrouwen die door technisch directeur Marc Overmars zijn belaagd, ‘geen toestemming’ van de voetbalclub hadden om met hun verhalen naar buiten te komen. Of Kamerlid Gijs van Dijk (PvdA), die afgelopen week opstapte na meerdere klachten over grensoverschrijdend gedrag, maar fier zei ‘exact te weten waar de grens lag’.

Een serie van Bram van Splunteren over muziekhelden werd afgelopen week door de VPRO gedumpt, nadat vrouwelijke medewerkers een doekje opendeden over de totstandkoming ervan. Theaterregisseur Ruut Weissman, die in de dit weekend opnieuw uitgezonden documentaire over zijn eigen #metoo-affaire krampachtig eist alsnog te kunnen definiëren waar die kwestie ‘nu echt’ over ging – in plaats van eindelijk eens te luisteren naar de verhalen van mensen die geschaad zijn, ook door hem. Lil’ Kleine, die is opgepakt omdat hij zijn vriendin voor de zoveelste keer mishandelde, net nadat hem een taakstraf was opgelegd wegens andere mishandelingen.

Wat deze affaires interessant maakt, is dat voor het eerst tal van mannen openlijk niet langer bereid zijn het gedrag van hun seksegenoten te tolereren, laat staan te vergoelijken.

Midden in dat gedruis kwam Joris Luyendijk afgelopen week met zijn boek over zijn zeven vinkjes. Allereerst: hij heeft volkomen gelijk. Mannen met zeven vinkjes hebben werkelijk geen idee hoe geprivilegieerd ze zelf zijn. Laat staan dat ze doorgronden hoe makkelijk en vanzelfsprekend zij gehoord en geloofd worden, ook als dat ten koste gaat van alle verhalen er ervaringen van anderen, te weten: mensen met een paar vinkjes minder, of soms helemaal geen vinkje. Hij heeft absoluut een punt, en ik ben oprecht blij dat hij dat zo publiekelijk maakte.

Maar waar Luyendijk de mist inging, is dat hij zich terstond opstelde als de brenger van de blijde boodschap. Hij zou zijn soortgenoten, de andere zeven-vinkers, de mensen (lees: de mannen who had it all), wel even vertellen waar ze het mis hadden. Waar hij gelijk in had: naar hem luisteren ze makkelijker dan naar een vrouw die slachtoffer is van de toeslagenaffaire. Waar hij ongelijk in had: hij is niet de brenger van het nieuws. Hij is niets meer dan de roeptoeter, een positie die hij kan innemen omdat naar de minder-vinkers zelf zo belazerd slecht wordt geluisterd.

Dan past bescheidenheid. Weet dat je rol die van amplifyer is, en van bondgenoot. Maar stel je zelf niet op de voorgrond. Dat jij als zeven-vinker altijd op de voorgrond staat, is immers precies het mechanisme dat je wilt bevechten.

Een zaak van lange adem

‘Hoe is het toch mogelijk dat dit nu nog steeds  gaande is, ruim vier jaar na Harvey Weinstein en #MeToo?’ Nu snap ik die verzuchting gerust, en soms zucht ik hartgrondig mee – je hoopt tenslotte altijd dat mensen in staat zijn om te leren, en vooral: te veranderen – maar het is ook grenzeloos naïef. Natuurlijk was wat er allemaal na Weinstein aan misbruik boven tafel kwam, niet genoeg om het wangedrag bij The Voice te verhinderen, of het te stoppen.

Diep ingekankerd seksisme krijg je er niet uit met ophef over een enkele affaire, zelfs niet als die miljoenen mensen in opstand doet komen. Racisme was ook niet over na de maandenlange demonstraties van Black Lives Matter nadat George Floyd in Minneapolis door een politieagent was vermoord, publiekelijk, op klaarlichte dag.

Net zoals Black Lives Matter al ver voor de moord op Floyd bestond – want brute moorden op zwarte mensen zijn geen incident, eerder een diep bedroevende traditie – is #MeToo al veel ouder. Die leus, en de bijbehorende beweging, ontstond niet pas in 2017, maar in 2006, toen Tarana Burke hem introduceerde. En feitelijk is de beweging zelf nog veel ouder. De eerste keer dat ik er zelf sjoege van kreeg, was veertig jaar geleden, toen er een florerende vrouwenbeweging was en we ontdekten hoe afgrijselijk vaak mishandeling, verkrachting, seksuele intimidatie en aanranding van vrouwen eigenlijk voorkwamen.

Het op-een-na ergste dat we indertijd ontdekten: het zijn zelden vreemden die zich aan dergelijk geweld te buiten gaan. Het zijn bijna altijd bekenden, soms zelfs intimi. Je vader. Je buurman. Je man. Je baas. Je collega. Je leraar. Je coach. Je medestudent. Je klasgenoot. Meestal mensen – mannen – bij wie je er niet op verdacht was, en bij wie je juist veilig en vertrouwd zou horen te zijn. (Het allerergste dat we ontdekten: dat vrijwel al die vrouwen doodsbang waren om met het misbruik naar buiten te komen.)

In 1981 werd in de Tweede Kamer een motie aangenomen – ingediend door de PSP, een van de voorouders van GroenLinks – waarin voor het eerst gepleit werd voor een samenhangend beleid inzake geweld tegen vrouwen: van mishandeling door hun partner, verkrachting en aanranding tot seksuele intimidatie in de publieke ruimte. De motie, die ik samen met mijn toenmalige vriendje had geschreven, kreeg Kamerbrede steun. Nog geen jaar later was er een grote overheidsconferentie in Kijkduin over seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes.

Er is sindsdien flink wat verbeterd. Vooral wettelijk: de opvang voor mishandelde vrouwen is beter (en ze krijgen nu makkelijker hulp om aan zo’n vent te ontkomen), verkrachting binnen het huwelijk is strafbaar gesteld, er hoeft geen penetratie met een penis aan te pas te komen om verkrachting ook wettelijk zo te betitelen, er is meer besef van de invloed van machtsverhoudingen, en vrouwen durven hun stem sneller te verheffen. Maar man o man, wat moet er nog een boel veranderen.